- Plantenkennis -

 

Indeling.

Hoofdstuk 1 - Inleiding,

Hoofdstuk 2 - Indeling van het plantenrijk.

Hoofdstuk 3 - Opbouw plantennaam.

 

 

 

 

Hoofdstuk 1 - Inleiding.

 

Elk levend wezen heeft het vermogen om zich te kunnen vermeerderen of bevat de eigenschap om zich te laten vermeerderen zoals bijvoorbeeld virussen. En elk levend wezen heeft een denkvermogen wat in meer of mindere mate is ontwikkeld. Voorts is elk levend wezen opgebouwd uit één of meer cellen die elk een celkern bevat waarin de genetische informatie is opgeslagen in het DNA (des-oxy-ribo-nuleoïde-zuur). Planten onderscheiden zich van dieren in het hebben van een stevige celwand en de aanwezigheid van een vacuole in elke cel. Zulke celwanden bestaan voornamelijk uit Cellulose en kunnen versterkt zijn met kurkweefsel (Suberine) en/of houtweefsel (Lignine). De vacuole is een zakje vocht binnen in de cel die strak gevuld zorgt voor een tegenspanning tegen de celwand (celspanning) wat zorgt voor stevigheid. Dieren moeten hun stevigheid ontlenen aan een skelet of een sterke uitwendige structuur bijvoorbeeld insecten. Ook hebben dieren geen bladgroen (chorophyl) en verkrijgen hun energie uit ademhaling door verbranding van Zuurstof (O2) of uit chemische processen zoals bij sommige primitieve bacteriën. Planten verkrijgen hun energie vooral uit fotosynthese door middel van bladgroen. Sommige planten bevatten geen bladgroen en zijn afhankelijk van anderen zoals parasieten en symbionten (samenlevingsvormen) bijvoorbeeld Schimmels. Ook plantdelen zonder bladgroen halen adem met name de wortels in de grond en zonder licht halen plantdelen met bladgroen ook adem vooral in de nacht wat dus energie kost. De fotosynthese is een chemisch proces waarbij in de bladgroenkorrel een lichtdeeltje (Foton) wordt gevangen welke energie wordt benut voor het maken van voedingssuikers uit Kooldioxyde (CO2) en water met daarin opgelost een aantal verschillende voedingsionen ( atomen of moleculen met één of meer elektronen te veel of te weinig). Het restproduct van fotosynthese is Zuurstof wat wordt afgegeven aan de atmosfeer.  De afbeelding hieronder is een simulatie van de eerste landplanten welke voortkomen uit bacteriën (dieren) op een steeltje waarbij van een aantal eerste oersoorten het onderscheid tussen plant en dier nog niet mogelijk is.   

 

Hoofdstuk 2 - Indeling van het plantenrijk.

 

Binnen de wetenschap zijn er meerdere manieren uitgedacht om het plantenrijk in te delen door verschillende meningen en omdat soms het onderscheid zo moeilijk en/of ingewikkeld is. Het basismodel zoals hier beschreven is algemeen het meest aanvaard al is er bijna op elke regel wel een uitzondering te benoemen. De hoofdindeling is in lagere planten en hogere planten. Onder lagere planten vallen vooral micro organismen zoals Algen en Lychenen die zich overwegend vegetatief vermenigvuldigen door deling van cellen en/of weefsels. Onder hogere planten vallen de planten die het vermogen hebben zich generatief te vermenigvuldigen welke  onderverdeeld zijn in zaadplanten en sporenplanten. Beide groepen kunnen zich vaak ook op allerlei manieren ook vegetatief vermeerderen zoals door deling en/of bijvoorbeeld wortelende uitlopers. Sporenplanten verspreiden zich door meestal miniscule sporen die genetisch dezelfde informatie bevatten als de ouderplant. Wanneer de omstandigheden geschikt zijn groeit een spoor uit tot een basisweefsel waarop zich afzonderlijke vrouwelijke en mannelijke weefsels bevinden met elk hun eigen deel van het complete DNA die zich ontwikkelen en die vervolgens met elkaar in contact komen door bijvoorbeeld een vochtdruppel waaruit de nieuwe plant weer kan opgroeien met het complete DNA van de ouderplant zoals bijvoorbeeld bij Varens. Zaadplanten vormen bloemen met daarin één of meer mannelijke organen (meeldraden) en één of meer vrouwelijke organen (stampers) met elk een deel van het DNA waarbij het samenkomen bevruchting wordt genoemd. Na de bevruchting vormt zich uit het vrouwelijke orgaan het zaad wat weer het complete DNA van de ouderplant bevat en verspreid kan worden waarna door ontkieming een nieuwe plant kan groeien. Zaadplanten zijn onderverdeeld in naaktzadigen die meestal coniferen worden genoemd en bedektzadingen die het zaad ontwikkelen in een vruchtbeginsel. De verzamelnaam coniferen is het meest bekend waarbij de eigenlijke vertaling kegeldrager is. Conus betekent in het potjeslatijn kegel en fera betekent dragend. Deze planten vormen meestal speciale houtige stengeldelen genaamd kegels om hun zaad te beschermen. Coniferen zijn onderverdeeld in naaldconiferen en schubconiferen terwijl er een aantal planten beide bladvormen ontwikkelen of soms tijdelijk alleen naalden of schubben hebben. De bedektzadigen zijn onderverdeeld in een bovenstandig vruchtbeginsel (boven de bloembodem) en in een onderstandig vruchtbeginsel (onder en in de bloembodem) alsmede zijn de bedektzadigen onderverdeeld in éénzaadlobbigen (met één zaadlob) met name de grassen en in tweezaadlobbigen (met twee zaadlobben) waartoe de meeste plantensoorten behoren. De meeste éénzaadlobbigen zijn kruidachtig zonder houtweefsel maar er zijn ook houtige planten zoals Bamboes. De tweezaadlobbigen zijn onderverdeeld in houtige gewassen en in kruidachtige gewassen waarbij er veel tussenvormen zijn, de zogenaamde halfhoutige gewassen.     

 

 

Hoofdstuk 3 - Opbouw plantennaam

 

Elke plant verschilt genetisch een klein beetje en soms is het onderscheid niet precies te bepalen maar het hele plantenrijk is in gedeelten benoemd. De mens is al sinds de oudheid bezig planten hun naam te geven en vanuit verschillende culturen ontstaan hebben zich door de eeuwen heen verschillende naamgevingen ontwikkeld. Tot op heden is er wereldwijd nog geen uniformiteit. Algemeen worden planten benoemd met wetenschappelijke plantnamen die standaard door iedereen aanvaard zijn en in enkelvoud per plantensoort zijn. Daarnaast zijn er volksnamen in gebruik die per omgeving en/of periode kunnen verschillen en waarbij één plant soms talrijke en zeer diverse namen heeft. De wetenschapsnaam is ook voortdurend aan verandering onderhevig door het doen van ontdekkingen en studies. De wetenschap heeft het plantenrijk opgedeeld in families op basis van groepsgewijze vrijwel identieke belangrijke genetische eigenschappen zoals de familie van de Roosachtigen (Rosaceae). De families zijn weer onderverdeeld in plantengeslachten die nog kenmerkender genetische eigenschappen bezitten zoals het geslacht Roos (Rosa) en waarbij onderlinge kruisingen niet uitgesloten zijn. Een plantengeslacht is verdeeld in plantensoorten waarbij kruisingen tussen de soorten mogelijk is. In de natuur kan een plantensoort onderverdeeld zijn in variëteiten en/of in typen en/of in vormen en/of in groepen en/of in ondersoorten die allemaal anders zijn dan de soort maar de eigenschap hebben behouden om tot de soort terug te keren. Door menselijke cultivering kan een plantensoort op dezelfde manieren verdeeld zijn dit heet dan bijvoorbeeld een cultuurvariëteit. De naamgeving van een plant is in dezelfde volgorde als voornoemd opgebouwd. Als eerste de Familienaam die wordt aangeduid beginnend met een hoofdletter. Dan volgt de geslachtsnaam die ook begint met een hoofdletter. Dan volgt de soortnaam die begint met een kleine letter en ingeval van een kruising met daarvoor een x. of met beide kruisingsouders vermeld. Dan volgt indien zo ingedeeld de groep of ondersoort of type of vorm ook aangeduid in kleine letters en vaak afgekort. Dan volgt de variëteitsnaam en indien in cultuur verkregen beginnend met een hoofdletter en geplaatst tussen spaties. Voorbeelden zijn  Rosaceae, Rosa x.odorata g.portland 'Yellow Queen' en Sparganium simpex subsp.simplex (Kleinste Egelskop). In de praktijk wordt de familienaam meestal weg gelaten omdat deze vrijwel niet wijzigt. Om een plant wetenschappelijk compleet en niet te verwarren aan te duiden wordt de plantnaam zo mogelijk vermeld met de naamgever en/of de ontdekker alsmede de datum van naamgeving en ingeval van import van elders de datum van invoering en ingeval van winning door een kweker de datum van introductie. Tegenwoordig zijn veel planten versimpeld in naam vastgelegd met een plantenpaspoort. Wetenschappelijke plantennamen worden meestal Latijns genoemd maar zijn in oorsprong een mengeling van een derde deel Grieks en van een derde deel Latijns en een derde deel is een mix andere talen met name, Engels en Spaans en Chinees en Nederlands en Japans en Portugees en Arabisch naar allerlei culturen en ontdekkingen. Plantnamen zijn in drie naamvallen geschreven naar de uiterlijke kenmerken en/of eigenschappen van de plant namelijk vrouwelijk of mannelijk of onzijdig.